Gran Canaria, veelzijdig en veelkleurig

(mjh-dg) – Het prettige klimaat van de Canarische eilanden lijkt alle andere charmes van de archipel te overvleugelen. Die zijn nochtans bijzonder en veelzijdig. Op Gran Canaria alleen al variëren de landschappen van weelderig groene naar vulkanische gebieden, van grillige kusten naar zonovergoten zandstranden tot de kale schoonheid van de woestijn. De bewoners zijn een vriendelijk maar zelfbewust volk en dat kon wel eens met hun geschiedenis te maken hebben.

Het is eind november als we ‘s middags op Las Palmas landen. Er staat een pittig windje en tropisch warm kun je het weer met zo’n 22 graden niet noemen. De autochtonen kuieren of haasten zich door de stad en hebben alvast een regenjasje aangetrokken en een sjaal omgeslagen. Voor hen is het immers winter, voor ons vormen de clemente temperatuur en het zonlicht een prettige afwisseling.
In Las Palmas wonen 400 000 mensen of tachtig procent van de bevolking, hoog opgestapeld in trieste flatgebouwen die zo ergens uit de jaren ‘70 van de vorige eeuw moeten dateren. Ze zien er niet florissant uit en het verbaast niet dat hun bewoners graag buiten vertoeven. Van de letterlijk adembenemende autogassen in de nauwe straten lijken ze zich weinig aan te trekken. Hondjes worden uitgelaten en kindjes worden in wandelwagentjes rondgereden alsof Las Palmas het paradijs is. Omdat kerstmis stilaan in zicht komt, worden overal groene dennentakken en grote rode strikken opgehangen. Het warenhuis ‘El Corte Inglés’ puilt uit van exotische en luxe voedingsproducten. Bedelaars die bij de inkom hun vaste stek hebben, maken een praatje met het bewakingspersoneel.
Als toerist benijd je alvast de autochtone stedelingen niet. In de haven kijk je tussen het bos van zeilmasten door uit op kranen en vrachtschepen. Als de eerste kennismaking ontnuchterend is, is het wachten tot het eiland behoedzaam zijn kwaliteiten onthult.

Mysterieus

Gran Canaria wordt zoals de omringende eilanden helemaal geassocieerd met toeristisch Spanje. Nochtans speelt Spanje slechts de laatste vijfhonderdvijftig jaar een rol in zijn geschiedenis. Dat geeft het eiland iets mysterieus. Want wie leefde er voor die tijd? Wie waren de Guanches of oude Canarios?
Toen Spanje er in 1470 voet aan de grond zette, leefden er zowat dertigduizend mensen in twee koninkrijken, Galdar en Telde. Sinds de 19de eeuw wordt er volop gezocht naar de oorsprong van dit volk, er werd aan Vikings gedacht en zelfs de verzonken beschaving van Atlantis kwam eraan te pas. Een verzameling mummies en skeletten die in het archeologisch Museo Canario in Las Palmas te zien zijn, zou het echte antwoord geven. Hun genetisch materiaal en analyses van terug gevonden voorwerpen wijzen erop dat het om Berbers uit het noordwesten van Afrika gaat. Ze kwamen in de eerste eeuw voor Christus op de Canarische Eilanden aan en leefden er 1500 jaar geïsoleerd van de rest van de wereld.
Waarom ze kwamen is een vraagteken. Zeker waren ze gedwongen om hun gebied in Afrika te verlaten maar of het om politieke druk of Romeinse vervolging ging, is niet zeker. Nog minder weten we hoe ze de reis over zee maakten in het gezelschap van hun schapen, geiten en varkens. De Spaanse conquistadores stelden vast dat het geen volk van zeilers was.
Wel hadden de Canarios een intrigerende bouwcultuur. Zo maakten ze in de rotsen silo’s waarin ze hun oogsten bewaarden, de holten werden bewaakt en met ‘pintaderas’ of kleien zegels afgesloten. De geometrische figuren op de deuren en muren worden door sommigen geïnterpreteerd als een kalender. In elk geval hielden de Canarios de tijd bij. In Risco Caida bijvoorbeeld is een bijzonder bouwwerk te zien met gaten erin waarlangs het zonlicht binnenvalt, vanaf de lente-zonnewende tot na de herfst-equinox. Op die manier wisten ze precies wanneer ze moesten zaaien en wanneer het tijd was om te oogsten.
Bentayga, de hoogste plek van het eiland, werd als sacrale plaats gezien, de verbinding tussen hemel en aarde. De grote honden of ‘cane’ die op het eiland rond zwierven werden als heilige dieren vereerd. Waarschijnlijk danken eerst Gran Canaria en later de hele archipel hun naam aan de honden. De kanarievogel die er nog in het wild te spotten valt, is naar de eilandengroep genoemd en niet omgekeerd.

Casa Colon

In de vijftiende eeuw veroverden de Spanjaarden Gran Canaria al kostte het hen vijf volle jaren voor ze de oorspronkelijke bewoners konden onderwerpen. Vele Guanches sneuvelden of werden als slaven naar het Spaanse vasteland vervoerd. Of ze werden ter plaatse te werk gesteld in de talrijke suikerplantages. Suiker vormde het exportproduct van de Canarische Eilanden. Tegelijk werden de bergwanden en vlaktes ontbost met erosie van de bodem als gevolg.
De historische wijk Veguata in Las Palmas baadt nog in de sfeer van de conquistadores. De kleurrijke huizen met houten of smeedijzeren balkons zijn door hen gebouwd. Dit gedeeltelijk autovrije stadsgedeelte vormt een verademing.
De kathedraal, waarvan de bouw begon in 1497 in opdracht van het koningspaar Isabella van Castilië en Ferdinand van Aragon, is een blikvanger. In dezelfde buurt ligt Casa Colon, het museum waarin de reizen van de Genuese ontdekkingsreiziger Christoffel Columbus gedocumenteerd worden. Las Palmas, speelde een belangrijke rol tijdens de ontdekkingsreizen van Columbus naar Amerika. Hier kwam hij weer op krachten en werden zijn drie schepen, de Pinta, de Santa María en de Niña, klaar gemaakt voor de grote reis over de Duistere Zee naar de Nieuwe Wereld. Colombus koos de Canarische Eilanden als tussenstop vanwege de constante westwaartse passaatwinden en zeestromingen die hij gunstig voor zijn reis achtte. Al wordt ook beweerd dat hij Gran Canaria verkoos omdat hij er een liefje zou hebben gehad.
Een auditorium in Las Palmas is vernoemd naar de beroemde tenor Alfredo Kraus die in Gran Canaria werd geboren uit een Oostenrijkse vader en een Canarische moeder en een wereldwijde carrière kende.

La Bandama

Het waren de Britten die in de 19de eeuw de archipel als toeristische bestemming ontdekten, wat een nieuwe en belangrijke bron van inkomsten werd. Het klimaat beviel hen zo dat ze er huizen bouwden om er langer te verblijven.
Het is bijzonder mistig wanneer we met een busje door het landschap van noordelijk Gran Canaria worden gevoerd. De ‘horizontale regen’ is nochtans een zegen voor de natuur, zo legt de gids uit, die heeft aan twee vochtige dagen genoeg om weer open te bloeien.
Watervoorziening vormt inderdaad een grote uitdaging voor de Canarische Eilanden. De ontziltingsinstallaties beantwoorden nauwelijks aan de behoeften, ook al omdat de toeristen op vlak van water een grotere voetafdruk hebben dan de autochtonen. Die laatsten besteden een ruim deel van hun budget aan ingevoerd flessenwater.
En ja, het gemiezer maakt al plaats voor de zon. In Gran Canaria wisselen de weertypes elkaar snel af. Als de wind uit de Sahara gaat waaien wordt het plots heel zacht. Toch zijn de temperaturen hier altijd gematigd, in de zomer schommelen ze rond de 25 graden, in de winter rond de 22 graden.
Gran Canaria heeft een unieke flora, in het voorjaar groeien de meest exotische bloemen, waaronder de agave die slechts om de twintig jaar een bloem krijgt. De regio La Bandama is als natuurgebied beschermd.
Ergens zien we een bunker. Spanje was tijdens de tweede wereldoorlog slechts in naam neutraal. Franco kreeg tijdens de Spaanse burgeroorlog alle hulp vanuit Duitsland om aan de macht te komen, nadien bevoorraadde hij Duitse schepen die hier aanlegden met voeding en brandstof.
We rijden langs gekleurde vissershuizen. Vissers kleurden hun boot in dezelfde tint als hun huis, vanaf de heuvels keken de vrouwen over de zee uit en konden zo de boot van hun man herkennen.
Ook zien we een gevangenis waar migranten die hier zijn gestrand worden vast gehouden.
In de krater van Caldero de Bandama is een wijnplantage. De Canarische wijn dankt zijn aparte smaak aan de vulkanische ondergrond. La Bandama is trouwens een verbastering van de vlaamse naam Van Damme.
Op de Canarische Eilanden volgden monoculturen elkaar op. De suikerplantages werden door wijngaarden vervangen. Op een bepaald moment kweekte men zelfs lieve heers beestjes in een bepaalde cactusvariëteit voor de productie van rode kleurstof. Telkens dook op andere plekken in de wereld concurrentie op en moest de archipel weer wat nieuws verzinnen.
Vandaag liggen bananenplantages grillig in het landschap verspreid en de slordige plastic overkappingen die de bomen van de wind afschermen, doen het uitzicht en het milieu geen goed. Zeg echter nooit zomaar banaan tegen een ‘platano’. Die is kleiner maar zoeter en heeft een grotere voedingswaarde dan de lange banaan.

Rum

Uit het suikerriet dat nog steeds wordt geteeld, wordt rum gefabriceerd en wel in het sfeervolle plaatsje Arucas. Kerstrozen in bloembakken versieren er de straten. Speciaal is de kerk van Sint Johannes de Doper, ontworpen door een leerling van Gaudi en gebouwd uit de plaatselijke zwarte lavasteen.
Op de binnenplaats van het cultuurhuis staat een ‘drakenboom’. De plek wordt als een heilige plaats aanzien, het rode sap van de boom of drakenbloed zou medische eigenschappen hebben, bovendien is de hars ook prima als vernis voor een viool.
De huizen zijn voorzien van waterspuwers in de vorm van een kanon. De piraten die het eiland omcirkelden, dachten daarom twee keer na voor ze toesloegen.
Ook Firgas is een mooi stadje. In een hellende straat loopt een fontein langs trappen naar beneden, bij elke trap is een van de zeven Canarische Eilanden afgebeeld samen met het wapenschild.
We besluiten onze rondreis in de regio rond Agaete en bezoeken een plantage waar koffie, avocado’s en papaja’s rijkelijk groeien.
We zagen slechts een glimp van het eiland en bewaren niettemin een kostbare indruk. Om het eiland alle eer aan te doen en de vliegtuigreis te verantwoorden, zouden we ook alle andere mooie en interessante plekken moeten ontdekken want er is zoveel meer dan de zon.

Foto’s: eigen opnames & toeristische dienst Gran Canaria

Geef een reactie